|
Geschreven door Gerard Tiben.
Ik ben sinds 1997 in het bezit van mijn EHBO-diploma. Omdat ik veel bij de weg ben met de auto en in de voorbijgaande jaren nogal wat ongevallen heb zien gebeuren, leek het mij zinvol om het EHBO-diploma te halen.
Net zoals iedere EHBO-er hoop je echter dat je je theoretische kennis nooit hoeft toe te passen in de praktijk. Je denkt dat je er klaar voor bent, maar toch...
Nu is mij het volgende overkomen. Op dinsdag 8 mei 2000 was ik onderweg naar een klant. Omdat ik werkzaam ben in de tuinbouw, kom ik in nogal dunbevolkte gebieden. Zo ook op deze dinsdag. Aan het einde van een weg moest ik rechts af slaan. Ik kijk naar links en zie dat de weg vrij is. Ik rijd dus door en op het moment dat ik op wil trekken, zie ik een auto op de kop liggen. Zo op het eerste gezicht zie ik dat er geen personen in de auto meer aanwezig zijn. En omdat de auto tegenover een woning ligt en er geen omstanders aanwezig zijn, vermoed ik dat de bestuurder naar de woning is gegaan om hulp te halen. Maar omdat de bestelauto de doorgang blokkeert, stap ik uit om te kijken of ik kan helpen. Als ik om de bestelauto heen loop, zie een mannelijk slachtoffer liggen met zijn hoofd in een enorme plas bloed. Onmiddellijk gaat er een knop om in mijn hoofd en ik begin te handelen. Ik ren naar mijn auto om mijn telefoon te halen en om latex handschoenen aan te trekken. Terwijl ik terugloop naar het slachtoffer, bel ik 1-1-2. Ondertussen was er een man aangekomen die op afstand blijft staan. Ik loop door naar deze man en vertel aan hem dat hij aan de telefonist moet vertellen wat er aan de hand is en waar we zijn. Ik loop terug naar het slachtoffer om eerste hulp te bieden. Ik zie dat het slachtoffer zeer ernstig bloed uit zijn mond en neus. Er is een (roggeldende) ademhaling aanwezig. Ook beweegt het slachtoffer, maar reageert niet op mij als ik hem aanspreek. En omdat hij steeds met zijn hand over zijn gezicht wrijft, geef ik geen pijnprikkel. Als ik het slachtoffer goed bekijk, zie ik dat hij vastzit met zijn voet in het stuur van de bestelauto. Ook lijkt het alsof het onderbeen gebroken is. De man met mijn telefoon komt bij mij met de mededeling dat de meldkamertelefonist mij ook nog wil spreken. De telefonist vraagt aan mij of ik wil omschrijven wat er aan de hand is. Ik vertel hem dan ook dat het gaat om een enkelzijdig ongeluk met waarschijnlijk één slachtoffer die bekneld zit in zijn auto. Ook vertel ik dat er brandgevaar is, omdat ik had gezien dat er brandstof uit de auto lekte. De telefonist vertelt me dan dat de ambulance, brandweer en politie gealarmeerd zijn. Terug lopend naar het slachtoffer zie ik dat er een vrouw gebukt over het slachtoffer heen staat en hem aanspreekt en tegelijkertijd pijnprikkels geeft. Ik zeg tegen deze mevrouw dat ik het slachtoffer al heb aangesproken en dat hij hierop niet reageerde. De vrouw vraagt of ik EHBO-er ben. Als ik dit bevestig, loopt ze bij het slachtoffer weg. Inmiddels is de groep omstanders gegroeid tot een grote groep. Als ik dan vraag of één van hen de auto wil controleren vanwege brandgevaar, reageert er niemand. Pas als ik één van hen aankijk en hem opdraag de auto te controleren, doet deze dat ook. De mevrouw die eerder al bij het slachtoffer stond, zegt dat ze een brandblusser in de auto heeft. Ik vraag haar om deze te gaan halen en paraat te blijven. Ook draag ik enkele mensen op om de omgeving te gaan controleren op eventueel andere slachtoffers. Nog steeds zat ik alleen bij het slachtoffer, die steeds heviger begon te bloeden en moeilijker begon adem te halen. Ook wreef hij steeds harder over zijn hoofd aan de kant waar ik vermoedde waar hij letsel had. Ik besloot om zijn hand in de mijne te nemen, zodat hij zichzelf niet ernstiger kon verwonden. Acht minuten na de melding, arriveerde de ambulance. De verpleegkundige stapt uit de auto en loopt naar ons toe. Ze werpt één blik op het slachtoffer, tilt zijn hooft op om de ernst van de verwonding te bekijken. Ik zie dan een diepe hoofdwond boven zijn rechter oor ter grote van een tennisbal. De verpleegkundige laat dan zijn hoofd zakken en roept tegen de bestuurder van de ambulance dat de traumahelikopter moet komen. Dit alles duurde slechts enkele seconden. Dan kijkt de verpleegkundige mij aan en vraagt wat er gebeurd is. Ik vertel dan wat ik geconstateerd heb aan het slachtoffer en hoe ik de situatie met betrekking tot brandgevaar, beknelling van het slachtoffer en eventueel meerdere slachtoffers afgehandeld heb. De verpleegkundige hoort mij geduldig aan en vraagt me dan of ik tegen bloed en deze situatie kan. Ik zeg dat ik hier geen problemen mee heb. Daarop krijg ik te horen dat het zeer slecht is gesteld met het slachtoffer. Of het slachtoffer komt te overlijden en misschien wel ter plekke of het slachtoffer blijft door zeer zwaar hersenletsel de rest van zijn leven gehandicapt. Ze vertelt me ook dat ze verder niets kan doen dan wachten op de traumahelikopter. Ik vraag dan of ik weg moet bij het slachtoffer. De verpleegkundige zegt dat dat niet hoeft en vraagt zelfs of ik wil helpen met onder andere het aanbrengen van een infuus. Dit wil ik wel. Ondertussen zijn de politie en de brandweer gearriveerd. Er wordt direct begonnen met het slachtoffer te bevrijden. Na geholpen te hebben met het infuus, het ondersteunen van het been en het tillen op de brancard van het slachtoffer, zit mijn taak er plotseling en geheel onverwachts erop. Daar sta je dan helemaal alleen naast de ambulance. Het bloed droop nog van mijn handen. Wat nu? Niemand, maar dan ook helemaal niemand kwam naar mij toe. Geen politieagent, brandweerman of omstander schonk enige aandacht aan mij. De politie was druk bezig met sporenonderzoek. De brandweer was bezig met de bestelauto en de omstanders waren druk bezig met nieuwsgierig te zijn. Ik voelde mij zo enorm verloren en alleen. Dit gevoel zal ik nooit vergeten en heeft meer indruk op mij achtergelaten dan het hele gebeuren er omheen. Op een gegeven moment liep ik naar een brandweerman en vroeg aan hem of ik mij ergens kon wassen. Want ik had bloed aan mijn handen, armen en benen. De brandweerman zegt daarop dat ik maar bij een woning moet aanbellen en daar even moet vragen om water en zeep. Ik dacht dat ik dit niet goed verstaan had, zo onwaarschijnlijk kwam dit bij mij over. Een andere brandweerman hoorde dit ook en zei tegen mij dat ik me wel wassen kon met wat water uit de voorraadtank van de bluswagen. Dit heb ik dan ook gedaan, echter zonder zeep en handdoek. Ook ben ik nog naar een politieagent gegaan en gevraagd of ze mijn persoonlijke gegevens nog nodig waren. Dit was niet echt nodig, maar toch hebben ze het opgeschreven. Uiteindelijk ben ik mijn auto gestapt en weggereden. Ik moest nog ruim een uur terugrijden naar huis. Gedurende de reis was het alsof ik in een roes verkeerde. Ik was met mijn gedachten alleen maar met het ongeluk bezig. En dan niet eens met het slachtoffer, maar met de afwikkeling van alles nadat mijn taak er op zat. Of moet ik juist zeggen van de niet-afwikkeling van alles? Je kunt bij je EHBO-opleiding nog zoveel leren, maar als je na een traumatische ervaring niet begeleid wordt door deskundigen en je kunt er niet over praten met anderen, dan wordt jezelf ook een slachtoffer. Ik heb het geluk gehad dat mijn werkgever zeer betrokken is met het personeel. Deze heeft dan ook contact gezocht met het Bureau Slachtofferhulp om mij te helpen. Ook heb ik er goed over kunnen praten met iemand van de EHBO. En dat ik mijn verhaal op papier zet, daar help ik mijzelf ook mee. Maar ik hoop vooral dat ik met dit verhaal andere hulpverleners in de toekomst ook kan helpen. Want wordt er bij de professionele hulpverleners en binnen de EHBO geen aandacht aan nazorg besteedt, dan zullen er nog veel van dit soort verhalen komen. Het slachtoffer is 's avonds in het ziekenhuis overleden.
Gerard Tiben.
|